• AmraMori

Van de regen in de drab

De paarden zagen er deze week uit als een kluitje verzopen katten; de pony’s leken nog het meest op een nestje doorweekte kittens. Mijn arme monstertjes moesten bijna zwemmen om van graseiland A naar moerasplek B te komen. Ikzelf kwam in de wei niet veel beter uit de verf - of beter gezegd, uit de modder.

Want dat is de enige vorm van aarde die tussen de stukken fletsgroen gras nog aanwezig lijkt te zijn. Slijmerige, zwartbruine grond die zó verzadigd is met water dat die niet eens een poging doet om aan te koeken aan mijn toch-al-doorweekte kleren. Nee, dát gebeurd pas als die kletsnatte hoop bruin in contact komt met droge, warme lucht - en die is in deze week van regen, stortregen, hoosbuien en absolute zondvloed alleen nog maar binnen te vinden.


Na ieder tripje naar de paarden er heilig van overtuigd dat ik zéker een derde van alle modder mee naar huis heb genomen, maar het tegendeel is (alsnog toe) iedere keer weer bewezen. Alleen al gezien het feit dat minstens het dubbele van al die vieze drab óók te vinden is in smeuïge, dikke vegen op de paarden. Die vervolgens weer zijn weg vindt naar mijn vingers, en zo uiteindelijk toch grotendeels meegaat naar huis.


Soms begrijp ik niet hoe ik überhaupt nog schoon wordt - hoe mijn kleren nog andere tinten kunnen hebben dan lichtbruin, donkerbruin, chocoladebruin en… bruin. Echt waar, ik hoef alleen maar naar de paarden te kijken en mijn handen - en polsen, vingernagels, gezicht - wordt al een smeer donkerder.


Nu scheelt het wel dat de paarden - behalve Chicka dan - al van nature een donkere vachtkleur hebben, dus al die viezigheid valt bij de onschuldige, schone voorbijganger niet bijzonder veel op. Tot je ze aanraakt, tenminste. De meeste mensen nemen echter niet eens de moeite om nu naar buiten te komen - ik geef ze groot gelijk - en trotseren dit vreselijke hondenweer vaak alleen om hun hond uit te laten.


De paarden hebben echter niet de behoefte om iedere dag uitgelaten te worden, dus moet ik ook eerlijk zeggen dat die deze week mijn gezicht iets minder hebben gezien dan normaal. Naast mijn diepe, vergaande, passionele haat voor nattigheid is er ook nog het niet geheel onwaarschijnlijke argument dat ik best wel goed en stevig vast kan komen te zitten in de modder. Vastgehouden door vettige viezigheid, gedoemd om tot het einde van mijn dagen - of zekers twee eindeloze uren - met de paardjes te leven tussen allerlei soorten smerig, bibberig koud, halflevend bruin. Als een soort tweede, vrouwelijke Golem. Nou nee.


Toen ik deze ochtend dus in een klein, bijna-niet-aanwezige miezerregen naar de paarden vloog, had ik deze al twee dagen(!) niet gezien. Silas en Djurre liepen op het eerste stuk grond, buiten de oorspronkelijke paardenweiden, direct voor de toegangspoort. Dat is altijd een beetje spannend, omdat je nooit weet of Djurre wellicht in een spontane, inspirerende Dora-the-Explorer-fase terechtkomt. Plotseling benieuwd naar het onbekende, naar dat gebied achter de poort - lees: een woonwijk, met kleine kinders en dure auto’s die heel, héél goed beschadigd kunnen worden door een lomp, log, aanstormend paardenlichaam van honderden kilo’s. Gelukkig was dit nu niet het geval.


Neen - de twee paardjes schoten niet door het niet-zo-smalle kiertje dat ik nodig heb om binnen te komen. Wél stonden ze direct bij die ingang, zo dicht op me dat ik nauwelijks naar voren kon stappen om de knip op de poort te knallen. Wachtend als twee gigantische, overgroeide honden, de koppen laag genoeg bij de grond zodat ik ze makkelijk tussen de oren kon kriebelen. Ze hadden me dus blijkbaar wel gemist.


Ondanks het woeste weer en klamme kleren kreeg ik het daar toch een beetje warm, en ik moest onwillekeurig denken aan al die keren dat Djurre zijn nek als een gigantische paraplu over me heen had laten hangen. Dat deed hij vroeger wel vaker als het regende; zijn gespierde borst duwde dan als een tweede leuning in mijn rug, in de rolstoel, en zijn lange manen liet hij als een zwart gordijn voor mijn gezicht hangen. Bijna volledig afgeschermd voor wind en regen.


Bij iedere beweging die hij dan maakte kon ik zijn borstspieren voelen bewegen, zijn ademhaling. Ik vond het nooit griezelig als hij zo dicht op me stond: het voelde juist veilig. Geborgen. En vooral warm.

Nu vond onze bejaarde het blijkbaar niet koud genoeg, want hij maakte geen aanstalten om weer zo over me heen te gaan hangen. Na een tijdje stil te staan kleumen ploeterde ik dan ook door, richting mijn Shetjes, die vanwege Obesitas-gerelateerde consequenties niet op die vette, grasrijke, eerste wei mogen.


De pony’s moest ik nog net niet aan de staart uit de blubber trekken. Chicka weigerde te komen, alhoewel ze met gespitste oortjes iedere beweging volgde die ik maakte. Het onneembare obstakel tussen ons in was een brede, diepe waterplas - groot genoeg voor een peuter om een klein rondje in te zwemmen - en Chicka, die overal zo druip- en druipnat was dat zelfs haar geëxplodeerde manen slapjes naar beneden hingen, wilde geen natte hoefjes krijgen.


Af en toe vraag ik me echt af of die pony haar hersens aan en uit kan zetten. En of ze dan nu misschien in de slaapstand stonden. Of misschien gewoon überhaupt niet aanwezig waren. Zuchtend ging ik in een grote boog om de plas, en Chicka liep aan de andere kant van dat waterige gat met me mee. Haar gevoel van richting, routeplanning en ruimte was nog erger dan het mijne.


Ik kriebelde haar eventjes, maar het was wel duidelijk dat ze mijn natte vingers in haar natte vacht niet heel prettig vond. Ik wierp een snelle blik op de ruime, droge, open stal achterin de wei, waar altijd, ieder moment, gebruik van gemaakt kon worden - en waar ik ál de paarden precies nul keer in had zien staan. Hopeloos.


Lieve weet op dit soort interne-crisis-momenten me er echter vaak doorheen te trekken, dus keerde ik weer bij die kleine, zwarte pony terug. Liefje was namelijk wél direct bij me gekomen zodra ik me de paardenwei in had gewurmd. Ze had haar hoofd genietend op schoot gelegd, bijna alsof ze kopjes wou geven. Na flink kriebelen waren mijn vingers net zo zwart als haar vacht, maar dat probleempje loste de aanzwellende regen al héél snel voor me op.


Uiteindelijk ging ik weer voorzichtig terug naar Silas en Djurre, terug naar de poort, maar niet voordat ik Lieve nog snel wat kleine kunstjes had laten doen. In de stromende regen of onder de bloedhete zon; Lieve staat altijd klaar om te werken, wil altijd aandacht, en dat moet natuurlijk ook vooral gestimuleerd blijven.


Eenmaal weer bij de poort vergat ik het gevoel van mijn doorweekte sokken en nam ik nog even extra de tijd voor Silas; inmiddels zijn wij ook begonnen aan een eerste, voorzichtige training. Er zal dan ook snel iets verschijnen over mijn wilde avonturen met deze onvolgroeide peuter, die absoluut geen besef heeft van zoiets als ‘persoonlijke ruimte’.


Maar dáár kun je alles over lezen in de blogpost van volgende week, die zoals altijd ook op vrijdag zal verschijnen! Alvast een klein voorproefje; hier is een schattige, ietwat wazige foto van mij en Silas. Op Instagram komt zoals gebruikelijk nóg een foto te staan, dus kijk ook vooral op onze Instagrampagina: @amra_mori!


Tot de volgende keer!



3 keer bekeken0 reacties